Interview met Prof. Bart Cockx

Bart Cockx :
Voor de meest kansarme groep, voor de jongeren die veel tegenslagen gehad hebben in het verleden kan je hen niet helpen met een standaardaanpak. Daar is maatwerk voor nodig.

Prof. Dr. Bart Cockx is licentiaat in de economische wetenschappen aan de KU Leuven en Master of Science aan de London School of Economics. In 1992 promoveerde hij tot doctor in de economische wetenschappen aan de KU Leuven. In 1993 startte hij als docent aan de UCLouvain waar hij werkzaam bleef tot in 2008. Sindsdien is hij hoogleraar aan de UGent. Hij is tevens verbonden aan verschillende onderzoeksinstellingen in het binnen- en buitenland: het IZA in Bonn, CESifo in München en het IRES in Louvain-la-Neuve. Zijn onderzoeksdomeinen zijn arbeidseconomie en microeconometrie. Meer in het bijzonder heeft hij zich gespecialiseerd in de evaluatie van arbeidsmarktbeleid en in evaluatiemethoden. Momenteel heeft hij ook onderzoek lopen over de effecten van zittenblijven en van heroriëntering van studierichting op school. Hij heeft publicaties in belangrijke nationale en internationale wetenschappelijke tijdschriften.

Vanwaar komt uw interesse in jeugdwerkloosheid?
Ik heb me altijd geïnteresseerd gevoeld voor sociaal problematieken, voor mensen die in armoede leven. Ik heb daar een doctoraat over gedaan. Ik vind het belangrijk om naar oplossingen te zoeken voor mensen die op een of andere manier uitgesloten zijn. Ik probeer op een rationale manier te kijken hoe we de samenleving moeten structureren om daar een goed antwoord op te vinden. Het is een beetje uitzonderlijke situatie omdat ik vooral heel technisch bezig ben. Maar ik probeer om het technische aspect te combineren met het sociale aspect.

België situeert zich net boven het Europese gemiddelde voor jeugdwerkloosheid. Hoe interpreteert u dat?
Je moet niet alleen kijken naar jeugdwerkloosheid maar dit in verhouding zien van mensen die op actieve leeftijd zijn. Dus de relatieve positie jeugdwerkloosheid ten opzichte van de werkloosheid van mensen die op actieve leeftijd zijn. Als je het zo bekijkt zie je dat de absolute jeugdwerkloosheidcijfers een vertekend beeld geven. In Vlaanderen is de jeugdwerkloosheidsgraad laag naar internationale normen, maar niet als je dit cijfer in verhouding brengt tot de werkloosheidsgraad van heel de bevolking op actieve leeftijd. dan stel je vast dat de jeugdwerkloosheid in Vlaanderen hoger is dan in andere landen. En zeker veel hoger dan in succeslanden zoals Duitsland, Denemarken en Nederland. Dit stellen we niet allen voor de laatste paar jaren vast, maar reeds meer dan tien jaar. We kunnen dus zeggen dat er in Vlaanderen (en België) een hoge structurele jeugdwerkloosheid is.

De Europese Initiatieven, zoals de “job guarantee”, kunnen deze soelaas bieden?
Ik moet daarop een tweedelig antwoord geven. Enerzijds denk ik dat jobs aanbieden aan kansarme jongeren zeker een stap vooruit kan zijn. Door de arbeidservaring die ze opdoen kunnen ze meer kansen krijgen op de arbeidsmarkt. Maar anderzijds moet ik zeggen ten aanzien van de otale jeugdwerkloosheid maar een druppel is op een hete plaat. Dit is eigenlijk maar een kleine maatregel. Als je het probleem echt wil oplossen moet je meer structureel werken. Dit plan is maar een kleine schakel in de hele problematiek.

Waar moet men dan de oplossing zoeken?
Volgens mij is de jeugdwerkloosheidproblematiek verschillend is in elke lidstaat van de Europese gemeenschap. Je moet vooral eerst een diagnose maken van waarom de jeugdwerkloosheid hoog is in een bepaald land of waarom is het dat niet is. Want er zijn heel wat landen waar de jeugdwerkloosheid niet zo een groot probleem is, zoals in Duitsland bijvoorbeeld. Vanuit die diagnostiek moet je de structurele problemen proberen aan te pakken en dat is zeker maatwerk. Je kan niet zomaar één plan opleggen voor alle landen van de Europese Unie.

Kunnen we die oplossing zoeken in onze buurlanden?
Benchmarking kan relevante ideeën en informatie opleveren. Maar men moet kijken in welke mate een beleidsmaatregel werkt omwille van de specifieke omstandigheden of omwille van specifieke institutionele context in dat land. Men kan een maatregel niet zomaar overnemen. Bijvoorbeeld Duitsland is gekend voor het systeem van praktijkstages. Daar is er een hele lange traditie van samenwerking tussen scholen en bedrijfsleven. Die traditie kun je niet zomaar van de ene dag op de andere overplaatsen naar een ander land.

Kunnen de internationale bedrijven en hun initiatieven een oplossing bieden?
Die bedrijven hebben altijd nood aan jongeren. Hun initiatieven kunnen geen structurele oplossing bieden. Ze werken zich op die manier in de kijker. Ze zullen dit doen omdat ze er zelf belang bij hebben: omdat ze zelf op zoek zijn naar goede jongeren en om een goed imago te krijgen voor hun klanten.

In het Deense model legt men meer nadruk op het garanderen van jobzekerheid dan werkzekerheid. Wat is uw mening over dit model?
Dit is een hele complexe problematiek. In ons land is de ontslagregeling pas hervormd in het begin van dit jaar onder de vorm van het eenheidscontract. Vóór het eenheidscontract was er een verschillende ontslagbescherming voor arbeiders dan voor bedienden. Voor arbeiders was er quasi geen bescherming terwijl bedienden heel goed beschermd waren tegen ontslag. Vanuit Europees perspectief waren Belgische bedienden dan ook bij de best beschermde werknemers. De hervorming heeft ervoor gezorgd dat arbeiders beter beschermd worden en dat bedienden iets minder goed beschermd worden. Zeker de hogere bedienden.

Het probleem met dit beschermingsmechanisme is dat als je een vast bedrag uitbetaalt krijgt bij ontslag. Dan geef je aan iedereen ongeacht de noden evenveel. Nu zijn er sommige mensen die heel snel werk vinden. Voor deze mensen is de ontslagvergoeding te hoog. Voor andere mensen, die langer zoeken naar een job, is de ontslagvergoeding dan weer niet voldoende. Vandaar heb ik samen met mijn collega aan de UCL, Bruno Van der Linden, voorgesteld de ontslagvergoeding in een fonds te steken in de plaats van deze rechtstreeks uit te betalen aan de ontslagen werknemer. Dat fonds gebruik je dan als een soort verzekeringsmiddel. Diegenen die snel werk vinden, gaan minder lang van dat fonds gebruik maken omdat ze het niet nodig hebben. Diegenen die langzaam een job vinden, gaan er langer op beroep kunnen doen. Op deze manier wordt de ontslagvergoeding efficiënter ingezet omdat men er enkel beroep op doet als men ze werkelijk nodig heeft.
Het probleem van dit systeem is wel dat je hierdoor minder prikkels krijgt om naar werk te zoeken. Je verliest immers de vergoeding als je werk vindt. Vandaar dat je dit alleen maar kan doen als je veel meer gaat inzetten op activeren, veel meer dan dat op dit ogenblik het geval is in ons land. Dit ligt meer in de lijn van het Deense model. Daar worden werklozen heel nauw opgevolgd. Ze gaan er wekelijks op gesprek om ervoor te zorgen dat ze effectief aan de slag kunnen gaan en dat niet ontmoedigd geraken. Je moet dan wel de middelen gericht inzetten, want je kan geen middelen inzetten voor iedereen. Voor diegenen waarvan je vermoedt dat ze zelf een baan kunnen vinden, kan je schriftelijk opvolgen. De lager geschoolden hebben daarentegen een intensievere begeleiding nodig, met meer face-to-face contacten.

Denk je dat er bereidwilligheid zal zijn vanuit de kant van werklozen om in zo een systeem in te stappen?
Het is duidelijk dat werklozen daar een dubbel gevoel aan zullen overhouden. Het positieve aan het idee is dat het meer begeleiding aanbiedt en dat het ervoor zorgt dat jonge werklozen hulp krijgen bij het zoeken naar werk. Maar er is natuurlijk wel de andere kant van de medaille. Je gaat ze immers ook meer gaan controleren sanctioneren indien ze niet meewerken.
Dus het mes snijdt langs twee kanten en jongeren zullen daar niet altijd positief tegenover staan. Ik denk dat het ene niet kan zonder het andere. Natuurlijk zijn de meeste werklozen te goeder trouw en gaan ze op zoek naar een job. Maar je hebt altijd bij zitten die dit niet zullen doen. Je moet ze duidelijk maken dat de steun die ze krijgen kostelijk is voor de maatschappij en dat ze hiervoor in ruil iets mogen voor doen.

Ook binnen ons onderwijs moet er volgens u één en ander aangepast worden om de jeugdwerkloosheid aan te pakken, o.a. de vroege oriëntering. Waarom zou vroege oriëntering een probleem zijn?
Dat vormt nu een belangrijk voorwerp van discussie in de hervormingsvoorstellen van het secundaire onderwijs. Op dit ogenblik gebeurt de keuze van technisch, beroeps of algemeen onderwijs op 12 jarige leeftijd. Dit is vrij vroeg naar internationale normen. In het buitenland gebeurt dit dikwijls op de leeftijd van 14 à16 jaar. In internationale wetenschappelijke studies heeft men onderzocht of het moment van deze keuze een effect heeft op je kansen op de arbeidsmarkt. Gemiddeld genomen kan je niet zeggen dat dit de uitkomst in de ene of de andere richting beïnvloedt. Het enige wat onderzoek vastgesteld heeft is dat de groep die kansarmer is er baat bij heeft om deze keuze uit te stellen.
U zegt dat zitten blijven geen goede remedie is, waarom?
In het meeste onderzoeken kan men niet vaststellen dat zittenblijven een positief effect heeft op de lange termijn schoolprestaties. Ik ken enkel een paar studies die op korte termijn positieve effecten vinden, maar niet op lange termijn. Dus kan je de vraag stellen of je niet moet inzetten op andere vormen van remediëring. Dit kan door bijvoorbeeld intensievere begeleiding te organiseren tijdens het jaar en/of eventueel in de zomerperiodes. Ik denk dat dit soort remedieringtrajecten meer effect zullen hebben dan het laten zitten van jongeren, want dan raken ze gedemotiveerd en waar komen ze terecht bij jongere klasgenoten, wat op sociale vlak tot problemen kan leiden.
Werk – en studeercombinaties hebben nog geen volle vaart gekregen. Zie je daar verandering in komen?
Dat is het hele problematiek en er zijn heel wat hervormingen op stapel wat dat betreft. Op dit ogenblik heeft het deeltijds beroepsonderwijs een negatief imago. Men is nu bezig met het integreren van het deeltijds beroepsonderwijs in de opleidingen van Syntra. Men tracht de twee systemen te integreren om het watervalsysteem in ons onderwijs af te bouwen. Diegene die in deeltijds opleidingen terecht kwamen, werden beschouwd als de zwakkere studenten en hadden problemen om stages te vinden in het bedrijfsleven. Vandaar is het belangrijk dat je een systeem krijgt waarin de beroepsopleiding meer wordt gevaloriseerd.
Er moet een structurele samenwerking ontstaan tussen enerzijds het onderwijs en ondernemers en anderzijds de diensten van arbeidsmiddeling. Dit is een proces van lange adem, waar je moet zorgen dat daar een structureel positieve spiraal wordt opgebouwd. Het is hierbij belangrijk dat er aangetoond wordt dat deeltijds beroepsonderwijs ook een positieve keuze kan zijn. Op die manier krijgen ondernemingen ook interesse krijgen in deze groepen. Maar dat is niet zo evident. Zelfs in Duitsland, dat het model is voor dat soort onderwijsvorm, geraken de meest kansarme groepen niet via deze onderwijsvorm geïntegreerd op de arbeidsmarkt. . Het blijft dus een moeilijke problematiek. Je kan die alleen maar oplossen als je veel meer middelen structureel gaat inzetten op die laagst geschoolde groep. Dat kan alleen door voor intensieve begeleiding te zorgen voor die groep en dat gaat geld kosten. Het lijkt mij belangrijk als je een inclusieve maatschappij wil krijgen dat je die groep meetrekt en dat je er ook middelen in investeert.

Hoe valt dit te combineren met het vertrouwensprobleem van deze groep jegens de overheidsinstellingen? Voor de meest kansarme groep, voor de jongeren die veel tegenslagen gehad hebben in het verleden kan je hen niet helpen met een standaardaanpak. Daar is maatwerk voor nodig. Straathoekwerkers kunnen hier relevante hulp aanbieden en kunnen eventueel in partnership met de arbeidsbemiddelingsorganisaties hulp aanbieden. Daar zouden veel meer middelen op ingezet moeten worden.